Hoe moet de recente Chinese conjunctuurprognose worden geïnterpreteerd?

De Chinese PMI-cijfers stegen in maart tot 50,9 van 50,1 in de voorafgaande maand. Met het PMI-cijfer wordt een inschatting gemaakt van de toekomstige groei van de industriële activiteit in China.

Ondanks deze stijging reageerden de financiële markten toch met enige ontgoocheling. De verklaring hiervoor vereist wat “hogere statistiek”. De index kent in de eerste “lentemaand” in het algemeen een conjuncturele opsprong. In het Chinese PMI-cijfer veroorzaakt deze seizoensfactor gemiddeld een verhoging 2,8 punten in vergelijking met februari. Vandaar de onderkoelde reactie wanneer de PMI-index dit jaar slechts toenam met 0,8 punten. Welke conclusies moeten we trekken uit een dergelijke conjunctuurprognose?

De ontgoocheling beperkte zich overigens niet alleen tot het algemene cijfer maar was ook merkbaar in alle deelcomponenten ( zoals nieuwe orders, werkgelegenheid, voorraden enz.… ).

Op zich zijn de recente ontwikkelingen niet eens zo slecht en blijven ze ondersteunend voor een stevige economische groei op lange termijn maar zijn momenteel onvoldoende om een scenario van verdere versnelling in de industriële activiteit te onderbouwen. Vergeet hierbij niet dat het Chinese PMI-cijfer de lat erg hoog legt. In tegenstelling tot bijvoorbeeld het Amerikaanse ISM-cijfer dat de 50-lijn trekt bij een potentiële contractie in de industriële sector, wordt in het Chinese cijfer deze 50- lijn getrokken bij een jaarlijks industriële expansie van 13%.

Grafiek 1: Evolutie Chinese PMI-cijfers ( Algemene index en New Orders)

 aPicture1

Daarenboven zijn er een aantal technische factoren die de Chinese conjunctuur tijdelijk negatief beïnvloeden: de vertraagde terugkeer van migranten uit het Chinese binnenland naar de stedelijke bouwwerven, een terugval in investering in infrastructuur maar vooral een gerichte (en zeer doortastende) campagne om alle onnodige kosten weg te snijden in administratieve overheden (overigens een zeer toe te juichen initiatief!)

De reactie van de financiële markten is dan ook geen uiting van een veralgemeende vrees voor een economische terugval in China, maar wel indicatief voor het tijdelijke verlies aan momentum.

Om een beter zicht te krijgen op de Chinese situatie is het belangrijk om de ontwikkeling van het prijspeil in China te analyseren. Recentelijk werd overigens de targetinflatie van 4% naar 3,5% teruggebracht. Dit houdt in dat de Chinese overheid sneller restrictiever begint op te treden bij haar monetaire beleid wanneer het algemene inflatiepeil hoger wordt dan het vooropgestelde niveau.

De verlaging van deze targetlijn betekent dan ook dat de Chinese overheid de boodschap de wereld instuurt dat er geen enkel risico zal worden genomen met de ontwikkeling van het prijspeil. Niet ten onrechte want bij de buurlanden India en Vietnam wordt de economische groei duidelijk negatief geïmpacteerd door een voorthollende inflatie. Ook in China begon de recente evolutie vrij plots in verkeerde richting te wijzen, maar dit was minder een gevolg van oververhittingverschijnselen of een te laks monetair beleid maar wel een directe resultante van de evolutie van voedselprijzen die een belangrijk onderdeel vormen van de totale prijsindex en met enige vertraging in eindprijzen voor de Chinese consument begonnen door te sijpelen.

Grafiek 2: Evolutie van het algemene prijspeil (CPI) en de voedselinflatie (Food CPI)

 aPicture2

Voor een communistisch regime (dat er terecht prat op gaat dat het de historische gesel van de hongersnood op 30 jaar tijd uit het Chinese systeem heeft kunnen wegbannen) moet een dergelijke ontwikkeling absoluut worden vermeden. De relatieve stabiliteit van voedselprijzen vormt immers een belangrijke bijdrage aan de politieke stabiliteit en geloofwaardigheid van het regime.

Vandaar ook de recente bewarende maatregelen: geen algemene stimulerende economische impulsen meer (wat op zich ook niet echt nodig is, want de monetaire groei is nog steeds voldoende accommodatief voor een reële economische groei van 10% op jaarbasis, terwijl de prognose voor dit jaar slechts op hooguit 7,5% a 8% wordt geschat). Om de terugval in algemene maatregelen op te vangen, is de Chinese overheid overigens overgegaan op gerichte, specifieke maatregelen zoals bepaalde infrastructuurwerken. De positieve impact hiervan wordt momenteel echter geneutraliseerd door de (tijdelijke) cost-cutting in de Overheidsadministratie.

Recentelijk is er echter een terugval merkbaar in de internationale voedselprijzen.

Grafiek 3: Evolutie van de voedselprijzen ( Tarwe, Soja en Maïs ) in US$

 aPicture3

Het is echter nog te vroeg om te spreken van een duurzaam karakter van deze daling maar een dergelijke evolutie kan wijzen op een trendbreuk waardoor ook de Chinese overheid terug wat ademruimte krijgt om eventuele stimulerende maatregelen te overwegen. Op dit moment lijkt mij dit echter nog onnodig. De Chinese economie doorgaat momenteel een transitie die er voor zorgt dat de spectaculaire groeicijfers uit het afgelopen decennium plaats ruimen voor een meer realistisch groeipad met minder oververhittinggevaar dat uiteindelijk ook de Chinese beurzen ten goede zal komen.

Dit bericht werd geplaatst in conjunctuur en getagd , door Stefan Duchateau . Bookmark de permalink .

Over Stefan Duchateau

Stefan Duchateau is adviseur bij de Argenta Groep en voorzitter van de diverse beleggingsvennootschappen van deze groep. Hij doceert o.a. Portfoliomanagement, Financial engineering en Financieel risicobeheer aan de HUB (Brussel), Security selection, Portefeuillebeheer en beleggingsleer aan de KU Leuven en Financial derivatives aan de UHasselt. Bij Argenta richt hij zich ondermeer op het financieel en risicobeheer, het strategisch beleid en de uitbouw van de beleggingspijler van de bank- en verzekeringsgroep. Dit houdt onder meer de ontwikkeling in van beleggingsproducten en het beheer van beleggingsfondsen. Prof. Dr. S. Duchateau studeerde af als handelsingenieur en is doctor in de Toegepaste Economische Wetenschappen.