Back-to-basics

Alles went, zeker een zoveelste Amerikaanse schuldencrisis.

In de korte periode die ons nu rest tot het volgende schabouwelijke politieke toneelstuk dat blijkbaar steeds gepaard moet gaan met de onvermijdbare beslissing tot een verdere verhoging van het schuldenplafond, is het voor de beleggers “back-to-basics” geblazen.De basiscomponenten voor de bepaling van het beleggingsbeleid worden hierdoor opnieuw de evolutie van de rentetarieven, de risicopremies op aandelen en bedrijfsobligaties en de ontwikkeling van de verwachte bedrijfswinsten.

De LT rente kaapt hierbij de meeste aandacht weg. Dit is niet ten onrechte, gelet op belang hiervan bij de waardering van aandelen en obligaties maar ook hier is de evolutie verweven met een politieke beslissing. De wereldwijde renteontwikkeling wordt immers in belangrijke mate gestuurd door de discretionaire beslissing van de Amerikaanse Centrale Bank om al dan niet een afbouw te voorzien van haar gigantische monetaire steunmaatregelen die de LT obligatierente naar een historisch dieptepunt hebben gebracht. Dit laatste was nodig om de bouwactiviteit terug op peil te krijgen, hetgeen overigens in belangrijke mate is gerealiseerd.

Grafiek 1 : Evolutie van de bouwactiviteit in de VS

2013_10_Picture0

 

 

Een gelijkaardige positieve trend valt ook waar te nemen in andere conjunctuurindicatoren, hetgeen een geleidelijke afbouw van het steunpakket verantwoord en dus onvermijdelijk een hogere LT rente zal uitlokken. De lage inflatie laat echter toe om de impact hiervan zoveel mogelijk naar de toekomst te verschuiven. Hierdoor krijgt de economie voldoende zuurstof om het voornaamste Amerikaanse politieke doel te realiseren: Een verdere verlaging van de werkloosheid om in het cruciale verkiezingsjaar 2014 om hiermee het pad te kunnen effenen voor de Obama-administratie.

Al bij al voorzien we slechts een renteverhoging in de buurt van 50 basispunten in de komende maanden, zowel in de Amerikaanse als Duitse rentetarieven. Onvoldoende om ons positieve beursscenario te ontwrichten, maar wel genoeg om onze posities in obligaties verder te reduceren. Enkel gespreide obligaties in groeilanden ontsnappen aan deze afbouw en vormen een nadrukkelijke component in ons beleggingsbeleid.

De belangrijkste impuls voor de wereldbeurzen moet echter komen van de ontwikkeling van de verwachte risicopremie. Deze factor duidt op de compensatie die door beleggers wordt gevraagd voor het risico dat zij verwachten te lopen bij aandelenbeleggingen. De wijzigingen in deze risicopremie verklaren voor meer dan 3/4de de beursevolutie sinds WO II.

Grafiek 2 : Evolutie van de verwachte risicopremie

2013_10_Picture1

 

 

In deze risicopremie ligt momenteel het grootste reservepotentieel opgeslagen sinds 1950. Een verdere afname, die zich reeds enkele maanden geleden heeft ingezet, zal niet alleen meer dan compenserend zijn voor de toekomstige rentestijgingen maar kan tevens de beurzen naar een hogere koers/winstverhouding brengen. Dit vereist echter een verdere stabilisatie van de risicofactoren maar aan deze voorwaarde lijkt te worden voldaan.

De finale impuls voor de wereldbeurzen moet echter komen van de bedrijfsresultaten. Deze brengen de bevestiging dat de voorthollende koers/winstverhoudingen al dan niet terecht waren. Voor de VS maken we ons daaromtrent weinig zorgen. De ISM-indicatoren wijzen op een voldoende versnelling in 2014 om de bedrijfsresultaten naar een hoger peil te brengen. In de Eurozone is een dergelijke prognose minder evident. Op basis van de voorziene winstgroei in 2014 zijn de beurzen zelfs eerder duur geprijsd. Men merkt dit gemakkelijk op wanneer de koers/winstverhouding in historisch perspectief wordt geplaatst of wordt vergeleken met de Amerikaanse waardering.

Dit heeft vooral te maken met het feit dat in de Europese situatie al wordt vooruitgeblikt op de verwachte evolutie in 2015 waarin zich een duidelijke positieve trend aftekent. Maar dat ligt nog te ver weg om voor een echt comfort te kunnen zorgen. In tegenstelling tot een overwogen positie die we innemen in de VS, blijven we eerder neutraal wat betreft Europese aandelen met een notoire uitzondering voor Duitse en Scandinavische bedrijven, waar de bedrijfsresultaten ook in 2014 al voor een stevig fundament zorgen. De groeilanden blijven nog onderwogen in onze strategie, zeker in het perspectief van de relatief zwakke performantie wat betreft bedrijfsresultaten. Enkel China en enkele kleinere landen in zijn onmiddellijke periferie kunnen in dit verband betere cijfers voorleggenen verdienen vandaar een overweging in de aandelenpositie. Groeilanden bespelen we liever via goed gespreide emerging market bonds.

 

Meer boeiende lectuur? Lees hier verder:

Dit bericht werd geplaatst in zonder categorie door Stefan Duchateau . Bookmark de permalink .

Over Stefan Duchateau

Stefan Duchateau is adviseur bij de Argenta Groep en voorzitter van de diverse beleggingsvennootschappen van deze groep. Hij doceert o.a. Portfoliomanagement, Financial engineering en Financieel risicobeheer aan de HUB (Brussel), Security selection, Portefeuillebeheer en beleggingsleer aan de KU Leuven en Financial derivatives aan de UHasselt. Bij Argenta richt hij zich ondermeer op het financieel en risicobeheer, het strategisch beleid en de uitbouw van de beleggingspijler van de bank- en verzekeringsgroep. Dit houdt onder meer de ontwikkeling in van beleggingsproducten en het beheer van beleggingsfondsen. Prof. Dr. S. Duchateau studeerde af als handelsingenieur en is doctor in de Toegepaste Economische Wetenschappen.