Dan toch?

De Chinese overheid kreeg de laatste maanden bakken internationale kritiek te slikken wegens haar te strenge monetaire beleid en haar kennelijke onwil om door middel van doorgedreven monetaire stimuli mee de herlancering van de wereldgroei te ondersteunen.

Als de tweede grootste economie van de wereld pertinent weigert haar schouders te zetten onder een herstelbeleid, dan legt ze tegelijk een zware hypotheek op de kans op welslagen van een dergelijk beleid.

De (louter symbolische) daling van de Chinese beleidsrente van 6 % naar 5,6 % maakte de laatste maanden nochtans een diepe indruk op de meeste beurswaarnemers, die meteen het startschot gaven voor een verschroeiende opwaartse spurt van Chinese aandelen. De sterk afgenomen inflatiecijfers, waarbij zowel de algemene index als de voedselprijzen onder de doelstelling van 3,5 % daalden, effenden ogenschijnlijk het pad naar een verdere knip in het rentetarief.

Grafiek 1: Chinese beleidsrente, algemene inflatie en evolutie van de voedselprijzen2015Picture1

Rood: voedselinflatie; blauw: algemene inflatie (linkeras); magenta: beleidsrente (rechteras)

Het geloof ebde echter geleidelijk weg en er werden steeds meer vraagtekens geplaatst bij de determinatiegraad van de Chinese monetaire overheid. Het werd al gauw duidelijk dat de daling van de beleidsrente weinig te maken had met een wijziging van het beleid en dat die enkel diende om de stijging van de Chinese munt tegenover de Japanse yen af te remmen. Door de daling van de yen beschikten de Japanse bedrijven immers over een doorslaggevende troef op de internationale markten.

Grafiek 2: evolutie van de Japanse yen ten opzichte van de Chinese yuan2015Picture2

Trouwens, wat baat het om de rente van 6 % naar 5,6 % te brengen wanneer je de banken niet de kans geeft om meer kredieten te verstrekken? De kostprijs van het krediet was immers niet het probleem, maar wel dat je het als industriële ondernemer zeer moeilijk had om een krediet te mogen afsluiten. Aan de lokale banken werden immers dermate reserveverplichtingen opgelegd dat het kredietvolume beperkt moesten blijven. Deze restrictieve politiek was geïnspireerd door de vrees voor de creatie van een zeepbel in de vastgoedsector en een verder oplopende schuldgraad van de lokale overheden en gezinnen.

De Chinese overheid verdedigde haar beleid op de internationale scène steeds met taaie, recht-voor-de-raapse argumenten. Door de demografische politiek uit het verleden moet de Chinese industrie rekening houden met een daling van 35 % van haar werkkrachten tegen 2020 (terwijl de gepensioneerde groep zal toenemen met 60 %). Haar economie is vandaar gedwongen te transformeren van een lage loonindustrie gericht op volume naar kwaliteitsvolle goederen en diensten, met een hogere toegevoegde waarde en minder arbeidsintensieve productiemethoden. Zoniet zal de looninflatie dermate oplopen dat veel van de opgebouwde welvaart in snel tempo in rook opgaat.

Een terecht argument, op zich sterk genoeg om zich te onttrekken aan de plicht om de wereldeconomie mee te ondersteunen met ingrijpende monetaire en fiscale steunmaatregelen.

Maar de recente conjunctuurindicatoren wijzen op een verdere vertraging van de industriële groei, die zulke proporties begint aan te nemen dat de onmiddellijke schade die het noodzakelijke transformatieproces aanbrengt op zich belangrijke gevaren begint in te houden.

Grafiek 3: evolutie van de Chinese conjunctuurindicatoren2015Picture3

Rood: Chinese index aankoopdirecteuren; blauw: verwachte nieuwe orders voor de industrie

De Chinese overheid weet natuurlijk ook dat de voornaamste hefboom voor haar economie zich in de neerwaartse bijstelling van de reservecoëfficiënt van haar banken bevindt, maar is zich ten volle bewust van de gevaren wanneer deze hefboom op een verkeerd moment wordt gebruikt.

Tot grote verrassing van menig waarnemer werd dan enkele dagen geleden afgekondigd dat deze coëfficiënten toch zouden worden verlaagd. Het nieuws werd aanvankelijk niet ernstig genomen. De Chinese overheid had immers al een jaar geleden afgekondigd dat ze de reservecoëfficiënt voor kredieten aan KMO’s en landbouwbedrijven zou verlagen, maar dat bleek een loze belofte en zond destijds de Chinese aandelenbeurs terug naar af.

Maar uit het gedrag van de monetaire overheid blijkt nu wel degelijk dat er een daling van 0,5 % wordt toegepast op de aan te houden reserves voor kredieten. Dat lijkt niet veel, maar is toch al goed voor een potentiële verhoging van de kredietvolumes met $ 100 miljard.

Grafiek 4: evolutie Chinese reservecoëfficiënten in de banksector2015Picture4

Magenta: beleidsrente (rechteras); rood: kleine banken; blauw: grote banken; groen: KMO-kredieten (linkeras)

Toegegeven: enkel waarneembaar als je een vergrootglas uiterst rechts op de grafiek legt …

Voorzichtige stapjes naar beneden. Dat zien we graag en zo zouden we ook doen: telkens verifiëren of er geen onevenwichten ontstaan in de schuldposities van bedrijven en lokale overheden en waken over de evolutie van vastgoedprijzen om telkens bij een positief rapport de reservecoëfficiënten te verlagen en de industrie geleidelijk met de nodige zuurstof te voorzien.

De wereldeconomie en de Chinese bedrijven zullen er wel bij varen. Wij ook.

Dit bericht werd geplaatst in zonder categorie door Stefan Duchateau . Bookmark de permalink .

Over Stefan Duchateau

Stefan Duchateau is adviseur bij de Argenta Groep en voorzitter van de diverse beleggingsvennootschappen van deze groep. Hij doceert o.a. Portfoliomanagement, Financial engineering en Financieel risicobeheer aan de HUB (Brussel), Security selection, Portefeuillebeheer en beleggingsleer aan de KU Leuven en Financial derivatives aan de UHasselt. Bij Argenta richt hij zich ondermeer op het financieel en risicobeheer, het strategisch beleid en de uitbouw van de beleggingspijler van de bank- en verzekeringsgroep. Dit houdt onder meer de ontwikkeling in van beleggingsproducten en het beheer van beleggingsfondsen. Prof. Dr. S. Duchateau studeerde af als handelsingenieur en is doctor in de Toegepaste Economische Wetenschappen.